Direct naar tekst van: Wie beslist over de stad?

De 99 van Amsterdam website

Wie beslist over de stad?

Halverwege 2017 telt de aarde 7,6 miljard bewoners, sinds 2014 woont meer dan de helft daarvan in steden. Deze trek naar de stad slaat Nederland en Amsterdam niet over. Inmiddels zijn vastgoed en grond in Amsterdam heel kostbaar, en voor veel mensen onbetaalbaar.

De verwachting is dat er in 2032 meer dan een miljoen inwoners in de hoofdstad leven. Een groot deel van deze groei moet binnen de bestaande stadsgrenzen worden opgevangen, en dat legt druk op de beschikbare ruimte en voorzieningen. Welke belangen tellen dan mee? Worden die ontwikkeling en uitbreiding van bovenaf opgelegd, of krijgen bewoners een directe rol? Van wie is de stad eigenlijk?

Onbetaalbare stad

Wereldwijd gaat er 194 biljoen euro om in de vastgoedmarkt. Hiervan is 60 procent voor rekening van de woningmarkt. In Amsterdam stegen de huizenprijzen vanaf 2013 met 76,4 procent. Van de gehele woningmarkt in Nederland steeg de waarde vanaf dat jaar met 635 miljard euro. Met andere woorden: vastgoed en grond in Nederland en Amsterdam zijn heel kostbaar, en voor veel mensen onbetaalbaar.
Dit heeft te maken met allerlei factoren … denk aan speculatie op de woningmarkt, koopwoningen die te duur worden, woningcorporaties die hun woningen in de verkoop doen, het kraakverbod, vakantieverhuur en short stay-verhuurbedrijven die de huren opdrijven.

Stedelijk beleid heeft invloed op al deze ontwikkelingen. Zo is stadsvernieuwing een beleidsinstrument – het proces waarbij rijkere huishoudens zich vestigen in armere wijken, met het effect dat zittende bewoners en armere huishoudens weggedrukt of uitgesloten worden: gentrificatie. Om wijken en buurten fysiek en sociaal te upgraden – en daarmee stadsvernieuwing op gang te brengen of te versnellen – hebben marktpartijen en de overheid zelf investeringen in achtergestelde wijken en eigen woningbezit gestimuleerd. Met als gevolg: hogere prijzen voor vastgoed.
De groei van de vastgoedmarkt in grote steden als Amsterdam, en meer en meer ook in kleinere steden, heeft een verstikkend effect op het stedelijk leven. De woningmarkt zit potdicht, de publieke ruimte en voorzieningen in de stad staan onder druk. Schoolpleinen verdwijnen, kinderdagverblijven en huisartsen kunnen zich moeilijker vestigen, sportvelden en parken komen in de knel. Een regulier inkomen voldoet niet meer voor een woning, laat staan een lager inkomen of een uitkering. In de afgelopen tien jaar is het aantal daklozen met de helft toegenomen naar 30.000, en zij zijn vooral te vinden in de grote steden. Steeds meer jonge gezinnen verlaten Amsterdam, kunstenaars, vrijdenkers en -doeners vinden geen plek meer in de stad, zo ook jongeren die in Amsterdam geboren zijn. Om over de positie van ongedocumenteerden nog maar te zwijgen.
Gentifricatie en neoliberaal beleid van de afgelopen tientallen jaren heeft de stad fysiek opgeknapt, tegelijk is de stad ook onbetaalbaar en ontoegankelijk geworden.

Recht op de stad

Tussen gebieds- en projectontwikkelaars investeerders, speculanten en hun winsten staan de bewoners en gebruikers van de stad en hun belangen en rechten. Zoals de arbeidersbeweging ooit de reden was om sociale woningbouw te organiseren en zoals later de kraakbeweging streed tegen grootschalige sloop van woningen, zo zijn er nu ook talloze initiatieven die tegen de stroom in bewegen. Zij organiseren zich om macht terug te krijgen in handen van bewoners en gemeenschappen en weg van de grote eigenaars. En dat gaat om meer dan sociale huurwoningen: het gaat ook over een publieke, vrije ruimte waarin je meer bent dan een consument met een pinpas, waar bewoners zelf hun creativiteit en verlangens kunnen volgen en zij het ‘hart’ van beleid zijn.

Het recht op de stad is een integrale benadering om de kwaliteit van het dagelijks leven in steden te verbeteren. Sociale bewegingen, activisten en academici gebruiken de term en het concept Recht op Stad al decennia om ongelijkheid in het gebruik van en toegang tot de ruimte, woningen en voorzieningen te benoemen.

Denken vanuit recht – wonen en vrije ruimte zijn een basisbehoefte en een basisrecht voor iedereen – vraagt om een andere benadering van de overheid: niet de markt telt, maar bewoners en gebruikers vormen het ‘hart’ van beleid. Bij elke beslissing over openbare ruimte en huisvesting staan de belangen van (aanstaande) bewoners centraal, vooral degenen met de meest urgente behoeften – denk aan werkende armen, daklozen of mensen zonder inkomen. Dat vraagt om verregaande democratisering.

Bovendien heeft Nederland het VN-verdrag voor economische, sociale en culturele rechten ondertekend, met daarin expliciet het recht op huisvesting. Dat betekent dat de overheid en de gemeente zich moeten inspannen om er voor te zorgen dat iedereen een dak boven haar of zijn hoofd heeft. Dit recht op adequate huisvesting, zo stelt de VN, is wezenlijk voor alle andere rechten. Dat zijn, als het over huisvesting gaat:

  • betaalbaar wonen: mensen met minder inkomen of vermogen kunnen ook een woning betalen zonder in te leveren op andere basisbehoeften.
  • zeker wonen: je hoeft niet een eeuwigheid op wachtlijsten te staan, en je kunt in je woning blijven zonder dat je hoeft te vertrekken als dat de belangen van de eigenaars dient.
  • geschikt wonen: woningen en de woonomgeving zijn aantrekkelijk en van goede kwaliteit.

Ook in het World Charter on the Right to the City van UNESCO en UN Habitat staat het recht op adequate huisvesting expliciet genoemd.
Deze benadering vereist een breuk met de dominante ordeningsprincipes gebaseerd op geld, macht en marktwerking. Voor Amsterdam biedt het recht op de stad een aanleiding om het sociaal contract tussen burger en lokale overheid te veranderen. Een contract over stedelijk ontwerp en ontwikkeling, gebaseerd op mensenrechten, sociale en duurzame ontwikkeling en participatieve democratie.

De stad als hulpbron

De initiatieven die de macht terugleggen bij bewoners en gemeenschappen tonen een omslag in het denken over eigendom, huisvesting, vastgoed en publieke ruimte, een omslag naar publiek en collectief eigendom en democratisch beheer.
Het municipalisme en de coöperatieve en solidaire economie bezien de gehele stad, in fysieke en immateriële zin, als hulpbron die bewoners gezamenlijk beheren – de stad als sociaal systeem [LINK COMMONS] dus. Als onze stad een sociaal systeem is en als Amsterdammers allemaal in gelijke mate eigenaar zijn van die hulpbron, hoe beheren we deze hulpbron dan? Hebben alle leden van de gemeenschap genoeg inspraak en toegang tot de voorzieningen die de stad biedt? Voelt iedereen zich welkom?

Ruime blik op de publieke ruimte

De publieke ruimte is misschien wel het belangrijkste strijdtoneel om de stad terug te krijgen, terug te claimen. Van wie is die ruimte, wie gaat erover? Vanuit een ruime blik:

  • Elke Amsterdammer moet in gelijke mate toegang hebben tot de publieke ruimte. Dat betekent dus ook dat ruimte niet moet discrimineren, zoals racistische algoritmes in gezichtsherkennende camera’s, stoepen die niet toegankelijk zijn voor mensen met een fysieke beperking, of onveilige straten.
  • Elke Amsterdammer moet het gevoel hebben dat zij of hij thuis is. Mensen moeten kunnen picknicken, wandelen, samenzijn. De publieke ruimte is het verlengde van een huis en mensen zijn daar ook thuis, niet alleen binnen de vier muren van hun woning.
  • Van wie is de stad, anders dan van ons? Als de stad onze hulpbron is, die we met z’n allen beheren, dan moeten we ook maximale inspraak hebben over de publieke ruimte. Dat vereist radicale democratisering.
  • Als iets van jou is, zorg je er beter voor. De commons helpen ons om het principe van rentmeesterschap (als het om de natuur gaat) en van zorgzaamheid (als het om elkaar gaat) vorm te geven. Burgerschap betekent verantwoordelijkheid nemen voor je eigen omgeving. Dat uit zich nadrukkelijk ook in de publieke ruimte.
  • Ruimte als een statische, betonnen constructie waar de burger niets meer aan kan veranderen, nodigt niet enorm uit. Als mensen zich betrokken willen voelen bij de stad en thuis zijn in de publieken ruimte, dan moeten ze die ruimte ook naar hun hand kunnen zetten.

Elders in Europa

Bologna kent het convenant Bologna Regulation for the Care and Regeneration of the Urban Commons, omarmd door gemeente en onderzoekers. Hierin wordt onder meer beschreven hoe door publiek-civiele samenwerking, in tegenstelling tot publiek-private partnerschappen, de publieke ruimte weer in de handen van de bewoners zelf komt.
Een andere Italiaanse stad is Napels waar het gemeentebestuur de Regulation of the Commons ondertekende. Daaruit kwam de Public Space Charter voort, een expliciet manifest vanuit de gemeente zelf, dat voorschrijft dat radicale democratische processen aan de basis moeten liggen voor beslissingen over de publieke ruimte. Het bestuur van Napels nam ook een motie aan waardoor leegstaande gebouwen het stempel ‘gemeenschappelijk goed’, commons, kunnen krijgen zodat ze collectief beheerd kunnen worden. Die motie voert terug op het middeleeuwse Usi Civili, gebruik door burgers: burgers kregen in sommige gevallen het recht om zelf een stuk bos of akkerland te bebouwen, voor bijvoorbeeld voedselproductie.
Als reactie op stijgende prijzen heeft Berlijn het Vorkaufsrecht ontwikkeld. Voor de verkoop van een huis vergelijken bepaalde stadsdelen nu de marktprijs met de huurprijs. Valt de marktprijs disproportioneel hoger uit, dan heeft het stadsdeelbestuur het recht de verkoop tegen de houden. Die biedt dan een lagere prijs aan woningcorporaties aan die betaalbare woningen moeten garanderen.

The right to the city is (…) far more than a right of individual access to the resources that the city embodies: it is a right to change ourselves by changing the city more after our heart’s desire. It is, moreover, a collective rather than an individual right since changing the city inevitably depends upon the exercise of a collective power over the processes of urbanization. The freedom to make and remake ourselves and our cities is, I want to argue, one of the most precious yet most neglected of our human rights.-David Harvey, Right to the city